17 juni 2009

  • Geschreven door: // Categorie: Dagboek

    Geen reacties

    Ik had al een paar dagen last mijn van mijn arm. Hij tintelde. Werkte gewoon niet lekker mee. Niets verontrustends, maar wel vervelend. Irritant. Na wat wijze woorden van slimme mensen in mijn omgeving belde ik toch de huisarts maar. Een auto besturen is tenslotte best lastig als je je linkerarm niet kunt gebruiken.

    De huisarts had pas drie dagen later tijd. Daarover maakte ik me geen zorgen. Zo veel bloedspoed had het niet, tenslotte. Ik ging naar mijn werk en vertelde dat ik er vrijdag even naar zou laten kijken. Verontwaardigde blikken. Ze maakten zich zorgen.

    Koffie!
    Om tien uur zaten we aan de koffie. Iemand riep om 10.15: “Doe rustig aan vandaag. Ik heb geen zin in een ziekenhuisbezoekje”. Op mijn arm na voelde ik me prima. En dus lachte ik alles weg. Ik sprong van de trappen en rende door de gang. Rond half 11, ik zat alweer achter mijn bureau, kreeg ik ontzettende hoofdpijn. Ik was enorm misselijk en zei tegen een collega dat ik even een glas water zou halen. Terwijl ik op sta zak ik in elkaar. Een collega vangt me op en de ambulance wordt gebeld. Ik voel me beroerd en heb direct in de gaten dat het goed mis is. Ik word benauwd en wil niets liever dan naar buiten, in de frisse lucht. Mijn arm tintelt en mijn been doet vrolijk mee. Ze lijken gevoelloos. Bewegen is lastig.

    Praten
    De ambulanceverpleegkundige probeert met me te praten. Ik merk dat ik de woorden verkeerd uitspreek. Ik lijkt dronken, maar ben zeer scherp van geest. Ik hoor en zie alles en ben me bewust van alles wat er gebeurt. Ik kan er alleen niet meer op reageren. De woorden komen niet. Er rollen andere woorden uit mijn mond dan ik bedoeld heb. Iets later hoor ik mezelf alleen nog mompelen. Ik weet dat het gebeurt en het maakt me woest. En doodsbang.

    “We brengen je naar het ziekenhuis in S., we denken dat je een hersenbloeding hebt gehad. In S. is de afdeling neurologie goed geoutilleerd. Begrijp je wat we zeggen?” Ik begrijp het. Elk woord snap ik. Ik probeer te knikken, praten wil niet. Het woord hersenbloeding dreunt na. Ik snap het, maar begrijp er niets van.

    Ambulance
    We rijden naar S. Mijn functies worden getest, ik lig ondertussen te malen over wat er precies gebeurd kan zijn. Ik hoor de verpleegkundigen overleggen met de meldkamer. “We draaien om, we moeten naar Zwolle. Ze gaat hard achteruit!” roept de verpleegkundige. Al mijn zintuigen staan op scherp. Naar Zwolle wil ik niet. Dat kan ik mijn ouders niet aandoen. Mijn broer lag daar na zijn kartongeluk. Schedelbasisfractuur. Coma. Ik schiet overeind en word woest. Ik trek de verpleegkundige aan haar jas en brul onverstaanbaar. Ze snapt me niet. Ik snap het zelf ook niet. In mijn hoofd ken ik de woorden, ik ben zo scherp dat ik ze moeiteloos kan spellen. Maar ik hoor mezelf onverstaanbaar grommen, brullen, huilen.

    “Ze wil niet naar het Sofia, denk ik”
    De boodschap is dus aangekomen; we rijden door naar de dependance van het Sofia, de Wezelanden. In mijn beleving scheelt het enorm dat mijn ouders straks niet een telefoontje krijgen dat ze zich weer moeten melden op de plek die al zo’n pijnlijke bijsmaak heeft. Onzin natuurlijk. Later blijkt dat mijn opa in de Wezelanden gestorven is. Aan een hersentumor. Hoe wrang.

    Spraak
    Ik word binnengereden op de spoedeisende hulp. Collega P. is bij me. Ik trek hem aan zijn shirt. Iedereen zegt dat ik me rustig moet houden, dat dat beter is. Dat is het niet, weet ik instinctief. Ik wil praten, mijn spraak oefenen. Ik wil weer woorden kunnen uitspreken. Dat mislukt merk ik als de arts mijn naam wil weten. Ik murmel en hij twijfelt. Hij herhaalt een naam die het meest in de buurt komt van mijn gemurmel. “Johanna”. Ik zak gefrustreerd in mijn kussens. En ondertussen dwing ik collega P. om tegen me te blijven praten. Dat doet hij. Hij stelt vragen, vertelt verhaaltjes en stukje bij beetje snapt hij mijn antwoorden.

    Tests
    Er worden tests gedaan. Neurologische oefeningen die ik nog ken van mijn broer. Ik scoor wisselend. Een CT-scan moet duidelijkheid geven over de schade in mijn hersenen. Ik laat het over me heen komen. Ik merk dat praten beter gaat. Ik wil weer kunnen praten voor mijn ouders er zijn. Mijn man zit op zee en dus maak ik me druk over mijn kinderen. Waar zijn ze? Wie past op ze? En ik verbaas me over mijn helderheid van geest.

    De uitslag
    “Waarschijnlijk geen herseninfarct. Wel een cyste”. We gaan later deze week een MRI maken om te kijken hoe die er verder uitziet. We moeten een beeld hebben van eventuele schade en de cyste. “Voorlopig blijf je hier, Johanna”.

    • Facebook
    • Twitter

Reacties

0 reacties op 17 juni 2009

Leave a Reply

Vul de velden in om je reactie achter te laten. Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.